psychic healingreacties van cliëntenover martinjournalistiek werkfotoserieshome










De Omschakeling


van beeldhouwster naar schilderes.




Anja Vosding vertelt hoe zij zichzelf omschoolt van beeldhouwer naar kunstschilder en wat daarbij haar motieven zijn.

Martin: “Ik ben onder de indruk van je grote werkruimte.”

Anja: ‘Ja, ik ben een grote bofkont. Deze ruimtes zijn oorspronkelijk gebouwd als kleine industriële loodsen en daar zijn toevallig allemaal kunstenaars ingetrokken. Het zijn ideale werkruimtes voor creatievelingen zoals ik. Ik ben er aan gekomen door een goede vriend, die net als ik ook een groter atelier wilde. Samen zijn we op zoek gegaan. Die vriend kwam op een gegeven moment met dit project aanzetten. Zonder die gozer had ik het hier niet gered want voor we hier introkken, hebben we ons door heel wat toestanden heen moeten procederen. Zonder zijn hulp had ik wellicht allang afgehaakt en had ik nooit in zo’n fijne, lichte ruimte als deze aan het werk gekund. Het begon met protest tegen deze loodsenbouw door de buren van dat prachtige Nieuwendammerdijkje. Als ik daar in zo’n lief huisje zou wonen, zou ik ook procederen tot aan mijn doodskist om deze lelijke bouwsels te beletten het uitzicht te bederven. Maar nu we er eenmaal zitten, zijn ze eigenlijk heel blij met ons. We maken mooie dingen, zijn aardige mensen, genereren niet veel verkeer en maken geen herrie. Is het hier niet geweldig groot? Zoveel groter dan mijn oude ruimte. Mijn oude atelier was misschien maar 40 m2, dit is 100 m2 plus nog een keer een vliering erbij van zo’n 50 m2. Ik had vlak voor ik hier introk een visioen dat het veel te groot zou zijn en dat ik beperkt door ruimtevrees en faalangst alleen nog maar twee centimeter grote beeldjes zou durven maken. Maar door de omstandigheden is dat radicaal anders uitgepakt. De projectontwikkelaar die deze loodsen bouwde, wilde na vier jaar van vertragingen van ons af omdat in die korte tijd de prijzen voor onroerend goed gigantisch waren gestegen. Hij wilde ons zomaar even aan de kant zetten om aan andere kopers veel meer te gaan verdienen. Ook dat proces hebben we uiteindelijk gewonnen.

Maar toen dat nog gaande was, ben ik uit pure kwaadheid in mijn oude kleine atelier die grote Gaya die daar staat, gaan maken. (Wijst op een volumineus godinnenbeeld) Gaya de godin van de aarde heeft heel wat voeten in de oude ateliervloer gehad. Dat was me een toestand. Ik had haar in mijn oude atelier al tot hoog in de dakkapel opgebouwd toen het beeld opeens scheef bleek te staan. De volgende dag stond het beeld nog steeds scheef maar dan in de tegenover gestelde richting. Ik schrok me een ongeluk en ik dacht echt dat er geesten aan het werk waren. Hoe was dit anders te verklaren? Op de academie haalden we altijd dit soort geintjes met klasgenoten uit. Er werd dan een wiggetje onder de klei geplaatst en als de maker dat niet in de gaten had, dan ging hij het scheefgezakte beeld corrigeren. Als je het wigje dan weer weghaalde, stond het gecorrigeerde beeld opnieuw helemaal scheef. Daar kan je iemand hartstikke gek mee maken.

Dus ik dacht: ‘Er is een oude klasgenoot uit de dood opgestaan en die zit nu wraakzuchtig in mijn atelier te spoken’. Ik heb er mijn buurman bij gehaald en die haalde het hele spookverhaal onderuit met de constatering dat mijn loodzware schepping, zonder invloed van kwade geesten, op eigen kracht langzaam door de vloer zakte. De paniek sloeg toe. Dit beeld en alle inspanningen die het tot stand hadden gebracht, mochten niet door de vloer op andermans spulletjes aan gruzelementen vallen. Er moest heel snel een kunststof mal gemaakt worden. Gaya, die hier nu als een gezellige pop in deze grote ruimte staat, vulde vrijwel het gehele oude atelier. Het maken van die mal op dat kleien beeld, maakten het hele gevaarte nog zwaarder en ik was bang om samen met Gaya naar de onderwereld te storten. Maar een wonder geschiedde: ik wist de klus zonder rampen tot een goed einde te brengen. Zoals je ziet, is er uit die mal een prachtig beeld gegoten. ’




Martin: ‘Inderdaad, ik vind het een mooi beeld. Maar hoe verkoop je zoiets?’

Anja: ‘Na de voltooiing van mijn opleiding op de Amsterdamse Rijksacademie kwam ik eerst in de BKR (Beeldende Kunstenaars Regeling). Die regeling heeft heel wat luie kunstenaars gekweekt want voor het werk dat je in moest leveren, kreeg je aanzienlijk meer dan bij een galerie. Waarom zou je je dan inspannen voor exposities, als je bij de BKR voor een ingeleverd beeld bijna drie keer zoveel kreeg? De BKR is terecht om zeep gebracht en dat prikkelde mijn al lang borrelende ondernemersbloed. Nog voor de BKR werd afgeschaft, richtte ik met een aantal vrienden de nog steeds bestaande Stichting Ondernemende Kunstenaars op. We besloten het bedrijfsleven te attaqueren. Dat is nu heel gewoon, maar 25 jaar geleden was dat een volkomen nieuw initiatief. We moesten de te volgen verkoopmethoden nog helemaal uitvinden.

Al snel was ik er achter dat als je je met een bang hoofd ging melden bij een portier je dan binnen twee minuten weer buiten stond. Dat werkte niet. Je moest er niet alleen op uit gaan, maar als een kunstenaarscollectief opereren dat bedrijven gratis tentoonstellingen aanbood. Dat werkte heel goed. We hebben veel bij de NMB-bank gestaan. Banken waren onze favoriete instellingen, want er werkt altijd wel iemand met een hart voor kunst. Ze vinden het prettig om al die mooie dingen om zich heen te hebben. Als we dan de tentoonstelling weer af kwamen breken, dan ontstond er bij die mensen een lichte paniek. Ze waren in die korte tijd dermate aan het werk gehecht geraakt dat ze het niet meer los wilden laten. Je moest er wel even lange adem voor hebben, maar dan was er uiteindelijk heel wat werk voor een goede prijs te verkopen.

Die banken doorzagen onze tactiek en ze waren er erg door geamuseerd. Omdat ze ons wel leuk vonden, gaven ze ons les in het benaderen van nieuwe potentiële klanten. Hoe je die vooral niet en hoe je ze wel moest benaderen. Ik vond dat allemaal doodeng, maar had gelukkig de hulp van de anderen uit de stichting. Zo werden we in Rotterdam geïntroduceerd bij de directeur van de NMB-bank. Die introduceerde ons op zijn beurt weer bij potentiële klanten en begeleidde ons daarin met uitdrukkingen en termen die ik niet kende en het duizelde me. Daar stond ik dan als beginneling in de grote mensenwereld op het grote mensen ganzenbord.






Gelukkig stond ik er niet alleen en we verdeelden de taken. Zo kon mijn collega Saskia Pfaeltzer heel goed de juiste kerels aanschieten. Brutaal zette ze letterlijk haar hooggehakte schoen voor zo’n vent en als die dan struikelde dan ving ik hem op en vervolgens vertelde ik hem enthousiast wat we allemaal in de verkoop hadden. Ik zou zo’n man niet onderuit krijgen, maar als hij door Saskia was voorbewerkt dan kwam ik een heel eind. Teamwork!

We deden ook hele bizarre dingen. Zo gingen we een stand huren op de Militairy in Boekeloo. Daar komen allemaal van die chique paardenjongens op af. We stonden later ook op andere concoursen met zelf ingerichte stands tussen diamantairs, goudsmeden en meer van die op rijke stinkerds ingestelde ondernemers. Tijdens een concours in Amsterdam bleek de inmiddels overleden biermagnaat Freddy Heineken in mijn werk geïnteresseerd. Hij wilde precies weten wat we deden en hoe we het aanpakten. In die tijd waren we uniek. Nu kijkt geen mens er meer van op, maar beeldende kunst verkopen tijdens paardenconcoursen was in die tijd ongekend. Freddy Heineken beloonde mijn uitleg met de enthousiaste aankoop van één van mijn beelden en ik was apetrots. Tja, en als de grote Heineken een beeld van je koopt, dan willen Jansen en Pietersen niet achterblijven.
Concoursen en beurzen, we gingen ze allemaal af. Omdat kunst cachet geeft aan een evenement wilden ze ons maar wat graag hebben en deden ze niet moeilijk als we afdongen op de standprijs. We moesten net als circusmensen keihard werken. Stand opbouwen, inrichten, je kunstje doen en dan weer afbreken, inpakken en weer verder naar het volgende evenement. Doodvermoeiend, maar ik had het niet willen missen.’




Martin: “Zo te zien, hebben je modellen het bij jou niet gemakkelijk.”

Anja: ‘Ha,ha. Ja, zoals je ziet, zijn mijn dames zeer beweeglijk. Ik kies daarbij niet voor natuurlijke standen. Sterker nog: als je een poosje naar één van mijn vrouwenbeelden staat te kijken dan kun je haast een hernia op voelen kruipen. In zo’n positie kan je geen model neerzetten en die gebruik ik dan ook niet. Dat is het directe gevolg van mijn opleiding. De anatomische kennis van het menselijk lichaam zit er bij mij zo ingeheid dat ik een model niet nodig heb. Een keer was ik wel vastgelopen met een aparte houding waarin ik één van mijn dames wenste te boetseren en toen kwam ik in het zwembad de oplossing tegen. Ik zag er twee broodmagere jongetjes tijdens het duiken een soortgelijke beweging maken en ik dacht: ‘Zo moet dat!’ Ik kon weer verder en met de betreffende kleidame is het helemaal goed gekomen. Dat ik allemaal van die beweeglijke, weelderige vrouwen maak, heeft uiteraard iets met mij en mijn eigen voorkomen te maken, maar ik verwerk mijn trauma’s niet in klei. Wel heeft het te maken met een blij en positief vrouwbeeld dat ik in al mijn beelden tot uitdrukking breng. Somberheid kan mijn beelden niet verweten worden. Ze zijn vol leven. Soms uitbundig, soms een tikkeltje ingetogen, maar altijd voel je er de sensuele levenslust bij waarmee ik het gemaakt heb. Mijn dames hebben een grote aaibaarheids factor. Ze worden graag blijmoedig gestreeld door vele ogen en handen.’






Martin: ‘Ik zie hier ook veel fraaie, levendige schilderijen staan’?


Anja: ‘Ach, dat zijn allemaal verkenningen in verf op canvas. Je mag ze gerust probeersels noemen. Schilderen is een kant van mijn kunstenaarsschap die ik tot dusver nog niet had ontwikkeld, maar die me nu uitdagend toelacht. De schilderijen die je hier ziet, mogen door alle bezoekers gezien worden, maar ik zal er niet mee exposeren. Ik heb nog heel wat te leren voor ik me aan schilderijententoonstellingen ga wagen. Op dit moment beschouw ik mezelf als een schilderende kleuter, wat op zich erg leuk is. Zoals ik zelf lessen in beeldhouwen geef aan verschillende kunstenaars, neem ik op mijn beurt ook weer lessen bij de meest uiteenlopende kunstschilders. Die uitwisseling is uiterst leerzaam maar soms ook komisch, want de één drukt je op het hart dat de kleuren op je basispalet beslist ‘zo en zo’ moeten zijn samengesteld, terwijl een andere verffiguur daarover weer met verve het tegenovergestelde beweert. Mijn conclusie is uiterst simpel: geheel naar eigen inzicht stel ik zelf mijn basispalet samen en ga daarmee als een kleutertje maar wat spelen en dan zie ik wel welke bruikbare ontdekkingen ik daarbij doe. Op dit moment neem ik schilderslessen bij Yvonne Maya Bakker, een kunstenares uit Amstelveen waarmee ik vroeger op de Rijksacademie heb gezeten.

Die geeft lessen in schilderen met olieverf waarbij een model vier avonden in dezelfde stand zit. Zo hadden we er eens een naïeve Braziliaanse jongen als model. Die lieverd zorgde onbedoeld voor vele aandoenlijke scènes. Hij sprak alleen maar Portugees en we probeerden met al het Engels, Frans, Nederlands en Spaans dat er in de groep aanwezig was met hem te communiceren. Heel gelaten en zwijgzaam stond hij braaf te poseren. Gebarend met handen en voeten had Yvonne hem eens gevraagd om zelf eens wat attributen mee te nemen. Dat resulteerde in een aandoenlijke tragikomedie. Na veel gerommel in het kleedhokje kwam hij daaruit in z’n blootje, enkel gehuld in een strooien hoelahoela rokje, veren om z’n nek en een versierde speer in zijn hand. Het was een volkomen foute en lachwekkende uitmonstering, maar omdat niemand die goeierd wilde kwetsen, hebben we die avond allemaal bloedserieus staan schilderen. De volgende dag kwam hij hevig aangedaan naar de schilderscursus. Tussen het bushokje en het leslokaal was hij beroofd en hadden straatrovers hem bestolen van zijn strooien rok, zijn verentooi en zijn versierde speer. Spontaan hebben toen alle cursisten geld bij elkaar gelegd om het verlies te compenseren. De dag daarop kwam die lieve jongen veel te laat en weer helemaal overstuur aanzetten. Dit keer was hij met zijn nieuwe speer wegens wapenbezit uit de bus gezet. Zo’n jongen vergeet je nooit meer.’



Martin: ‘Waar wil je met je schilderwerk naar toe?’

Als ik er ergens mee naar toe ga dan gaat me dat heel wat minder problemen opleveren dan het transport van mijn bronzen beelden. In vergelijking met beelden zijn schilderijen vederlicht en ik kan er dus gemakkelijk met vier tegelijk onder mijn armen ergens mee heen gaan. Van het tillen en transporteren van zware beelden en zware gietvormen houden veel beeldhouwers rugklachten over. Als direct gevolg van al dat tillen ben ik zelf al verschillende malen behandeld voor een navelbreuk. Niet ernstig, maar ernstig genoeg om me te realiseren dat het met het tillen van loodzware objecten gedaan moet zijn. Als ik nu afspraken maak met galeriehouders dan beding ik meteen dat zij het transport regelen. Mijn lichaam kan het niet meer aan om uren achtereen in steen te hakken of om lange tijd in een ongemakkelijke houding te staan boetseren. En transporteren gaat al helemaal niet meer. Kleine en middelgrote beelden zal ik altijd wel blijven maken, maar het creëren van grote beelden zal over niet al te lange tijd helemaal tot het verleden horen en zal plaats maken voor mijn passie voor het schilderen.

Een uit nood geboren uitdaging die me aangenaam in haar ban heeft. Tja, van beeldhouwen naar schilderen: een boeiende omschakeling.’

Interview door Martin van der Velde.

Wie meer informatie wil over het werk van Anja Vosdingh Bessem kan een email sturen naar of telefonisch contact opnemen met 020-6161012.
Je kunt ook een kijkje nemen op haar website.



top



copyright Martin van der Velde 2007